4 Ramingsgrondslagen

In deze begroting zijn de volgende grondslagen gehanteerd:


Kostenstijgingen en subsidies 
Net als vorig jaar worden in principe de exploitatiebudgetten niet geïndexeerd. Uitzondering hierop zijn de subsidies aan externe partijen en loonkosten. De loonkosten worden geïndexeerd op basis van de reeds gemaakte CAO afspraken tussen werkgevers en werknemers. Vanuit de compensatie voor Loon- en Prijsontwikkeling vanuit de Algemene Uitkering zullen wij een stelpost voor prijsstijgingen opnemen. Daar waar exploitatiebudgetten als gevolg van externe verplichtingen verhoogd moeten worden, kan zonodig een bijstelling plaatsvinden, waarbij dekking kan plaatsvinden uit deze stelpost. Deze systematiek moet er aan bijdragen dat exploitatiebudgetten niet onnodig verhoogd worden.
Subsidies worden geïndexeerd met 4,1%, zie voor een toelichting hieronder over de OZB en heffingen.

OZB en heffingen
Sinds de begroting 2025 hanteren we de indexatie van de begroting de  methodiek van indexatie op basis van het Centraal Economisch Plan (CEP). Deze is gebaseerd op een gewogen gemiddelde.
-    Loonkosten: 2,0%
-    Overige (materiële) kosten: 2,1%
-    Investeringen: 3,0%
-    Gewogen gemiddelde 2,2% (60% loonindex, 20% materiële kosten, 20% investeringen).
Hierbij moet wel een correctie gedaan worden op de indexatie van 2026, omdat in het CEP ook een bijstelling van het lopende jaar plaatsvindt (van 2,2% naar 2,9%, zie hiervoor onderstaande tabel). Op basis van het gewogen gemiddelde, zoals ook bovenstaand weergegeven, is het voorstel om de OZB en heffingen te verhogen met 3,4% en een correctie van 0,7% toe te passen voor de bijstelling van de indexaties voor 2026 volgens het CEP. De OZB en heffingen worden dan dus geïndexeerd met 4,1%.

Algemene Uitkering (Gemeentefonds)
De Algemene Uitkering wordt geraamd op basis van de meicirculaire. Voor indexen worden alleen rekening gehouden met het begrotingsjaar 2026. Voor het meerjarenperspectief gelden constante prijzen (meerjarenbegroting is prijspeil 2026).

Omslagrente
Op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) moeten rentekosten aan de taakvelden/programma’s worden toegerekend met behulp van een (rente)omslag. Het renteomslagpercentage is berekend op basis van de voorgeschreven systematiek van de commissie BBV en komt voor 2027 uit op 1,0% (2026: 1,0%).  Het omslagpercentage geeft weer welk rentepercentage aan de activa wordt toegerekend. Dit percentage wordt berekend op basis van een raming van de netto door de gemeente te betalen rente en de totale boekwaarde van alle vaste activa van de gemeente. Het percentage wordt afgerond met maximaal 0,5%.
De berekening van de omslagrente is opgenomen in paragraaf 4, Financiering.

Er vindt geen rentebijschrijving plaats op reserves en voorzieningen.

Rente nieuw aan te trekken leningen
Prognoses over de rente hebben doorgaans een min of meer ‘’glazenbol’’ niveau. Dit gegeven wordt nog versterkt door de vele onzekerheden in de geopolitiek. De rente op de geld- en kapitaalmarkt is het afgelopen twee jaar gestegen, na een relatief lange periode van historisch lage rente. De komende jaren verwachten wij dat de rente stabiel blijft op het huidige niveau. Voor nieuwe geldleningen gaan we in de begroting uit van 3,5% rente, gebaseerd op de gemiddelde rentepercentages bij verschillende looptijden gedurende de eerste drie maanden van 2026.

Grondexploitaties
Vanaf boekjaar 2025 is vanuit de commissie BBV voorgeschreven dat voor de rente op de grondexploitaties ook de omslagrente gehanteerd moet worden (2025: 1,0%). Voorheen gold hiervoor een aparte berekeningswijze.

De disconteringsvoet voor verliesvoorzieningen binnen grondexploitaties schrijft het BBV verplicht voor op 2,0%.

Overhead

In 2023 is een nieuwe Notitie Overhead opgesteld door de commissie BBV, deze is van toepassing vanaf begrotingsjaar 2025.  Volgens deze notitie mag de methodiek voor het toerekenen van overhead, zoals opgenomen in het overzicht overhead, aan lokale heffingen en rechten niet afwijken van de overige methodieken voor het toerekenen van overhead aan overige taakvelden van de begroting. De methodiek die hiervoor gekozen is om de totale overheadkosten toe te rekenen op basis van de netto loonkosten (excl. inhuur). Zie hiervoor verder de paragraaf Lokale Heffingen.